Oncologie

Immunotherapie bij longkanker: selectie met NGS en biomarkers

U leest hoe artsen met NGS en biomarkers zoals PD-L1 bepalen of immunotherapie bij uw tumor kans van slagen heeft en wanneer gerichte therapie beter past.

14 min leestijd
Een oudere mannelijke patiënt en een oncoloog bekijken samen de uitslag van een moleculaire profilering in een zonnig ziekenhuisatrium.

Immunotherapie bij longkanker en andere solide tumoren: patiëntselectie met NGS en moleculaire profilering

Kort antwoord: Immunotherapie bij kanker zorgt voor langdurige controle van de tumor bij ongeveer 20% tot 40% van de niet-geselecteerde patiënten. Next-generation sequencing (NGS) en uitgebreide moleculaire profilering identificeren specifieke voorspellende biomarkers-zoals PD-L1-expressie, microsatellietinstabiliteit (MSI-H/dMMR) en een hoge tumor mutational burden (TMB)-om ervoor te zorgen dat artsen checkpointremmers alleen voorschrijven wanneer het immuunsysteem van een patiënt de maligniteit actief kan herkennen.

Belangrijkste punten:

  • Moleculaire profilering voorkomt het onjuist inzetten van immunotherapie bij patiënten met behandelbare drivermutaties (zoals EGFR of ALK) en leidt hen in plaats daarvan naar doelgerichte therapieën.
  • Hoge PD-L1-expressie, hoge microsatellietinstabiliteit (MSI-H) en een hoge tumor mutational burden (TMB-H) dienen als de belangrijkste klinische markers voor geschiktheid voor checkpointremmers.
  • Maligniteiten met een hoge basale mutatiefrequentie, waaronder niet-kleincellige longkanker, cutaan melanoom en urotheelcarcinoom, laten de hoogste objectieve responspercentages zien.
  • Immuungerelateerde bijwerkingen verschillen wezenlijk van bijwerkingen van chemotherapie en treden op als auto-immuunontstekingen in organen zoals de dikke darm, longen, lever en endocriene klieren.
  • Immunologisch "koude" maligniteiten, waaronder microsatellietstabiele prostaat- en eierstokkanker, reageren zelden op immunotherapie met een enkel middel en vereisen gecombineerde behandelstrategieën.

Immunotherapie bij kanker is een gespecialiseerde categorie van oncologische behandelingen-meestal immuuncheckpointremmers-die het eigen immuunsysteem van een patiënt in staat stelt kwaadaardige cellen te herkennen, aan te vallen en op te ruimen. In tegenstelling tot standaard cytotoxische geneesmiddelen die alle snel delende cellen aanvallen, moduleert immunotherapie de regulerende pathways van T-cellen, waardoor immuuncellen de ontwijkingssignalen van tumorcellen kunnen overwinnen. Uitgebreide moleculaire diagnostiek zorgt ervoor dat artsen deze therapie alleen toedienen wanneer een tumor de specifieke biologische kenmerken vertoont die nodig zijn voor een immuungemedieerde respons.


Hoe moleculaire profilering en NGS de juiste kandidaten voor immunotherapie selecteren

Immunotherapie is naar schatting werkzaam bij 20% tot 40% van de niet-geselecteerde kankerpatiënten; next-generation sequencing (NGS) en uitgebreide moleculaire profilering identificeren de specifieke behandelbare markers die aantonen of het immuunsysteem de tumor kan herkennen en aanvallen.

Next-generation sequencing onderzoekt honderden genen tegelijkertijd uit één enkel weefselbiopt of bloedmonster (vloeibare biopsie). Deze multigenbenadering spoort somatische mutaties, veranderingen in het aantal genkopieën, structurele herschikkingen en genomische instabiliteit op. Door het genomische profiel van een tumor in kaart te brengen, maken oncologen onderscheid tussen immunogene tumoren die cytotoxische T-lymfocyten aantrekken en immunologisch stille maligniteiten die aan detectie door het immuunsysteem ontsnappen.

Moleculaire profilering behoedt patiënten ook voor ongeschikte behandeltrajecten. Bij niet-kleincellige longkanker vertonen tumoren met activerende driverafwijkingen - zoals EGFR-mutaties of ALK-fusies - bijvoorbeeld vaak het PD-L1-eiwit op hun oppervlak. Ondanks deze expressie laten deze tumoren lage responspercentages zien op monotherapie met PD-1- of PD-L1-remmers (doorgaans gerapporteerd onder de 10%), terwijl ze een verhoogd risico geven op ernstige longontsteking (pneumonitis). Het aantonen van deze mutaties via initiële NGS leidt patiënten naar doelgerichte tyrosinekinaseremmers (TKI's), waardoor immunotherapie bewaard blijft voor latere behandellijnen of combinatietherapieën.

Uitgebreid genomisch onderzoek standaardiseert de patiëntenselectie op basis van verschillende klinische parameters:

  • Beoordeling van genomische instabiliteit: het kwantificeren van de microsatellietstatus en de hoeveelheid inserties en deleties.
  • Totale mutatielast: het meten van somatische coderende mutaties per megabase gesequenced DNA.
  • Negatief-voorspellende biomarkers: het identificeren van mutaties in STK11, KEAP1 of MDM2 die samenhangen met primaire resistentie tegen checkpointremmers of snelle ziekteprogressie.
  • Identificatie van behandelbare drivermutaties: screenen op afwijkingen in EGFR, ALK, ROS1, RET, MET en BRAF om voorrang te geven aan doelgerichte orale therapieën.

De belangrijkste biomarkers in begrijpelijke taal: PD-L1, MSI-H/dMMR en hoge TMB

Drie primaire moleculaire signalen sturen de beslissingen rondom immunotherapie: PD-L1-expressie meet de maskering van immuuncheckpoints, MSI-H/dMMR wijst op een tekortschietend DNA-herstel waardoor zichtbare neoantigenen ontstaan, en een hoge Tumor Mutational Burden (TMB ≥10 mut/Mb) signaleert een overvloed aan doelwitten voor cytotoxische T-cellen.

PD-L1 (programmed death-ligand 1)

PD-L1 is een eiwit op het celoppervlak van zowel kankercellen als tumorinfiltrerende immuuncellen. Wanneer PD-L1 bindt aan de PD-1-receptor op cytotoxische T-cellen, geeft dit een remmend signaal af dat de activiteit van T-cellen stillegt. Pathologen bepalen PD-L1 met behulp van immunohistochemische kleuring (IHC) en rapporteren de uitslag via standaard scoresystemen:

  • Tumor Proportion Score (TPS): het percentage vitale tumorcellen dat een gedeeltelijke of volledige membraankleuring vertoont. Een TPS van 50% of hoger definieert een hoge expressie bij niet-kleincellige longkanker.
  • Combined Positive Score (CPS): het aantal PD-L1-kleurende cellen (tumorcellen, lymfocyten en macrofagen) gedeeld door het totale aantal vitale tumorcellen, vermenigvuldigd met 100. Deze score stuurt klinische behandelbeslissingen bij urotheel-, maag- en baarmoederhalskanker.

MSI-H / dMMR (microsatellietinstabiliteit-hoog / mismatch repair-deficiëntie)

Cellen gebruiken het mismatch repair (MMR)-eiwitsysteem (MLH1, MSH2, MSH6 en PMS2) om spontane fouten te herstellen die ontstaan tijdens de DNA-replicatie. Wanneer dit systeem faalt (dMMR), stapelen fouten zich op in korte, zich herhalende DNA-segmenten die bekendstaan als microsatellieten. Dit leidt tot de status microsatellietinstabiliteit-hoog (MSI-H). Tumoren met MSI-H produceren duizenden afwijkende peptiden (neoantigenen). Deze lichaamsvreemde eiwitten helpen circulerende immuuncellen de tumor te herkennen zodra checkpointremmers de rem van de T-cellen halen.

TMB (tumor mutational burden)

De Tumor Mutational Burden meet het totale aantal niet-synonieme somatische mutaties per megabase (mut/Mb) aan gesequenced tumor-DNA. Een hoge mutatielast (klinisch gedefinieerd als een TMB ≥10 mut/Mb op gevalideerde NGS-panels) hangt samen met een verhoogde aanmaak van neoantigenen. Omdat ultraviolette straling, sigarettenrook en defecte proefleesenzymen wijdverspreide DNA-veranderingen veroorzaken, presenteren tumoren met een hoge TMB talrijke specifieke doelwitten voor T-cellen. Dit vergroot de kans op een klinische respons op PD-1- en PD-L1-remmers.


Kankersoorten met een hoge respons: melanoom, long- en blaaskanker

Maligniteiten met een hoge basale mutatiefrequentie - zoals kandidaten voor immunotherapie bij gevorderd melanoom, gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom en cohorten voor immunotherapie bij urotheelcarcinoom van de blaas - vertonen de hoogste objectieve responspercentages op PD-1- en CTLA-4-remmers.

Omdat deze tumortypen vaak ontstaan door chronische blootstelling aan kankerverwekkende stoffen uit de omgeving - zoals ultraviolet licht bij huidmelanoom en bestanddelen van tabaksrook bij niet-kleincellig longcarcinoom en urotheelcarcinoom - hebben zij een hoge mutatielast. Deze mutaties leiden tot de vorming van veel neo-antigenen, wat zorgt voor een natuurlijke infiltratie door cytotoxische T-cellen van het eigen lichaam.

Wanneer artsen patiënten beoordelen voor immunotherapie bij melanoom, leidt gecombineerde checkpointblokkade (zoals nivolumab gecombineerd met ipilimumab) in klinische studies tot gerapporteerde objectieve responspercentages van meer dan 50%, waarbij de langetermijnoverleving in responderende cohorten langer is dan vijf jaar. Het blokkeren van zowel de PD-1- als de CTLA-4-route herstelt de afweeractiviteit tijdens de initiële T-celactivatie in de lymfeklieren en binnen de perifere tumorlocatie.

Binnen de thoracale oncologie heeft immunotherapie bij longkanker de eerstelijnsbehandelprotocollen veranderd. Patiënten met gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom en een hoge PD-L1-expressie (TPS ≥50%), zonder behandelbare drivermutaties, krijgen vaak monotherapie met pembrolizumab, cemiplimab of atezolizumab, waarmee zij een langere mediane totale overleving bereiken dan met standaard platinum doublet-chemotherapie. Voor patiënten met een PD-L1-score onder 50% zorgt de combinatie van checkpointremmers met chemotherapie op basis van platina voor hogere responspercentages dan chemotherapie alleen.

Op vergelijkbare wijze bevatten immunotherapieprotocollen bij gevorderde blaaskanker PD-1- en PD-L1-remmers voor patiënten die geen cisplatine kunnen krijgen en voor ziekte die progressief is na platinatherapie. Urotheeltumoren vertonen een duidelijke genomische instabiliteit en frequente veranderingen in chromatine-remodellerende genen, waardoor zij gevoelig zijn voor behandeling met checkpointremmers.


Koppelingstabel van biomarkers aan gerichte immunotherapie

Behandelkeuzes zijn afhankelijk van duidelijke biomarkercriteria: een hoge PD-L1-waarde (TPS ≥50%) leidt bij longkanker tot monotherapie met pembrolizumab, MSI-H/dMMR maakt solide tumoren geschikt voor weefselonafhankelijke checkpointremming, terwijl sensibiliserende EGFR- of ALK-afwijkingen patiënten juist naar gerichte orale therapieën leiden.

De volgende klinische beslisboom beschrijft hoe moleculaire biomarkers richting geven aan systemische therapie bij solide tumoren:

Voorspellende biomarkerOnderzoeksmethodeDoeltumorStandaardbehandelingPrimaire klinische onderbouwingPD-L1 TPS ≥50%Immunohistochemie (IHC)Niet-kleincellig longcarcinoomPembrolizumab, cemiplimab of atezolizumab (monotherapie)Een hoge expressie van checkpoints zonder behandelbare drivermutaties voorspelt een respons zonder cytotoxische chemotherapie.MSI-H / dMMRNGS of IHC (MMR-panel)Elke solide tumor (weefselagnostisch)Pembrolizumab, dostarlimabEen grote hoeveelheid neoantigenen door een verstoord DNA-herstel bevordert de systemische immuunherkenning in verschillende organen.TMB-High (≥10 mut/Mb)Gevalideerde uitgebreide NGSSolide tumoren, melanoom, baarmoederhalskankerPembrolizumabEen hoge dichtheid van somatische mutaties vergroot de kans op tumorspecifieke herkenning en opruiming door T-cellen.PD-L1 CPS ≥10Immunohistochemie (IHC)Maag, gastro-oesofageale overgang, tripelnegatieve borstkankerCheckpointremmer + platina/fluoropyrimidine-chemotherapieEen gecombineerde score wijst op voldoende immuuninfiltratie in het micromilieu om toevoeging van PD-1-blokkade te ondersteunen.Sensibiliserende EGFR / ALKUitgebreide NGS / RT-PCRNiet-kleincellig longcarcinoomDoelgerichte TKI's (zoals osimertinib, alectinib); vermijd PD-1 als monotherapieOncogeen-gedreven tumoren reageren beperkt op immuuntherapie als monotherapie en brengen een hoger risico op pneumonitis met zich mee.Hoog stromaal LAG-3IHC / RNA-sequencingNiet-operabel gevorderd melanoomNivolumab + relatlimabDubbele checkpointblokkade helpt T-celuitputting te doorbreken bij tumoren die alternatieve remmende receptoren tot expressie brengen.


Omgaan met auto-immuunbijwerkingen: hoe immuuntherapie verschilt van chemotherapie

In tegenstelling tot chemotherapie, die directe beenmergsuppressie, haaruitval en acute misselijkheid veroorzaakt, bestaan de belangrijkste bijwerkingen van immuuntherapie bij kanker uit immuungerelateerde bijwerkingen (irAE's). Deze ontstaan wanneer een geactiveerd immuunsysteem gezonde weefsels aanvalt, wat leidt tot ontstekingen zoals colitis, pneumonitis of thyreoïditis.

Pathofysiologische verschillen

Cytotoxische chemotherapie beschadigt snel delende normale cellen, wat leidt tot een tijdelijke daling van het aantal witte bloedcellen, wondjes in de mond en haaruitval. Immuuncheckpointremmers heffen daarentegen de regulerende mechanismen op die de lichaamseigen immuuntolerantie in stand houden. Wanneer deze routes worden geblokkeerd, kunnen autoreactieve T-cellen gezonde orgaansystemen binnendringen en ontstekingsbevorderende signaalmoleculen (cytokines) afgeven die normaal weefsel beschadigen.

Veelvoorkomende immuungerelateerde bijwerkingen (irAEs)

Immuungerelateerde toxiciteit kan tijdens of na de behandeling in elk orgaan ontstaan:

  1. Gastro-intestinaal (colitis en enteritis): veroorzaakt frequente waterige ontlasting, buikpijn en rectaal bloedverlies. Een endoscopie toont meestal slijmvliesontsteking en zweervorming.
  2. Pulmonaal (pneumonitis): uit zich in kortademigheid, een droge hoest en lichte koorts. Een CT-scan van de borstkas toont doorgaans matglasafwijkingen of beelden passend bij een organiserende pneumonie.
  3. Endocrien (thyreoïditis, hypofysitis, adrenalitis): betreft door het afweersysteem veroorzaakte schade aan hormoonproducerende klieren, wat leidt tot hypothyreoïdie, hyperthyreoïdie, bijnierinsufficiëntie of hypofyseontsteking met hoofdpijn en veranderingen in het gezichtsvermogen. De meeste patiënten hebben blijvende hormoonsuppletietherapie nodig.
  4. Dermatologisch (huiduitslag en pruritus): uit zich als rode maculopapulaire vlekken, jeukende huidafwijkingen of, in zeldzame gevallen, ernstige blaarvormende reacties zoals het syndroom van Stevens-Johnson.
  5. Hepatisch (auto-immuunhepatitis): uit zich als klachtenvrije stijgingen van de leverenzymen (ALT, AST) en bilirubine, waardoor routinematig bloedonderzoek voor elke infusie noodzakelijk is.

Gradatie van toxiciteit en klinische interventie

Oncologen delen irAEs in aan de hand van de Common Terminology Criteria for Adverse Events (CTCAE, graad 1 tot 4):

  • Graad 1 (mild): lichte of klachtenvrije veranderingen; de behandeling wordt voortgezet onder regelmatige klinische controle en met ondersteunende maatregelen.
  • Graad 2 (matig): symptomen belemmeren de dagelijkse activiteiten; artsen onderbreken de immunotherapie tijdelijk en schrijven orale corticosteroïden voor (zoals prednison 0,5 tot 1 mg/kg/dag) totdat de symptomen afnemen tot graad 1 of verdwijnen.
  • Graad 3-4 (ernstig of levensbedreigend): ernstige symptomen die een ziekenhuisopname vereisen; de immunotherapie wordt doorgaans definitief gestaakt en er wordt direct gestart met een hoge dosis intraveneuze corticosteroïden (methylprednisolon 1 tot 2 mg/kg/dag). Als de symptomen niet verbeteren met steroïden, worden aanvullende afweeronderdrukkende medicijnen gestart, zoals infliximab bij colitis of mycofenolaatmofetil bij hepatitis.

Waarom 'koude' tumoren bij prostaat- en eierstokkanker resistentie tegen immunotherapie vertonen

De meeste immunotherapieprotocollen voor prostaatkanker en behandelschema's voor eierstokkanker laten als monotherapie slechts bescheiden activiteit zien, omdat deze 'koude' tumoren een lage mutatielast, dicht steunweefsel (stroma) en weinig T-celinfiltratie hebben. Hierdoor zijn moderne combinatiestrategieën nodig om de toegang voor het afweersysteem te stimuleren.

Mechanismen van immunologische "koude"

Immunologisch koude tumoren - zoals microsatellietstabiele (MSS) darmkanker, ductaal adenocarcinoom van de alvleesklier, epitheliale eierstokkanker en gemetastaseerde castratieresistente prostaatkanker - zijn resistent tegen checkpointremmers door bekende biologische factoren:

  • Lage mutatielast: Deze kwaadaardige tumoren bevatten relatief weinig somatische mutaties, waardoor er minder afwijkende eiwitten ontstaan die afweercellen kunnen herkennen.
  • Uitsluiting van T-cellen: Kankercellen en omringende fibroblasten scheiden chemische signalen af (zoals TGF-β en VEGF) die een dichte, fibreuze matrix vormen, waardoor cytotoxische T-cellen de kern van de tumor niet kunnen bereiken.
  • Aanwezigheid van immunosuppressieve cellen: De lokale omgeving trekt regulatoire T-cellen (Tregs), myeloïde suppressorcellen (MDSC's) en ondersteunende macrofagen aan die de lokale afweeractiviteit onderdrukken.
  • Verlies van antigeenpresentatie: Verlies of verminderde expressie van bèta-2-microglobuline (B2M) of HLA-klasse I-moleculen verhindert dat tumorcellen interne antigenen op hun celmembraan presenteren.

In klinische termen worden immunologisch "hete" tumoren gekenmerkt door een hoge mutatielast, veel neo-antigenen en sterke T-celinfiltratie, wat samenhangt met een respons op checkpointremmers. Daarentegen worden immunologisch "koude" tumoren gekenmerkt door een lage mutatielast, fibreus stroma en suppressorcellen, wat leidt tot primaire resistentie tegen immunotherapie.

Immuunresistentie overwinnen

Om immunologisch koude tumoren te helpen omzetten in tumoren die wel reageren, onderzoeken oncologen combinatieschema's die zijn ontworpen om neo-antigenen te genereren en de migratie van afweercellen te bevorderen:

  • Anti-angiogene combinaties: VEGF-remmers (zoals lenvatinib, bevacizumab of cabozantinib) normaliseren afwijkende tumorbloedvaten en verminderen de aanvoer van onderdrukkende cellen, waardoor T-cellen de tumor beter kunnen binnendringen.
  • Combinaties met PARP-remmers: Bij eierstok- en prostaattumoren met defecten in het DNA-herstel (zoals BRCA1/2-mutaties) veroorzaken PARP-remmers DNA-breuken die de STING-signaalroute activeren. Dit stimuleert de afgifte van interferon en het aantrekken van immuuncellen.
  • Voorbehandeling met bestraling en chemotherapie: Gerichte bestraling of chemotherapie in een lage dosering brengt immunogene celdood teweeg, waarbij tumorantigenen vrijkomen die lokale dendritische cellen helpen activeren.
  • Gerichte radioligandtherapie: Bij uitgezaaide prostaatkanker levert de combinatie van PSMA-gerichte radioligandtherapie (zoals Lutetium-177 vipivotide tetraxetan) met checkpointremmers gerichte straling op. Dit verstoort de opbouw van de tumor en trekt circulerende immuuncellen aan.

Veelgestelde vragen

Kan immunotherapie kanker genezen?

Immunotherapie biedt geen garantie op blijvende genezing bij gevorderde systemische maligniteiten, maar het kan wel langdurige remissies bewerkstelligen die jaren na afloop van de behandeling aanhouden. Bij tumortypen die goed op de behandeling reageren, zoals gevorderd melanoom en bepaalde vormen van niet-kleincellige longkanker, bereikt een deel van de patiënten een aanhoudende complete respons zonder zichtbare tekenen van actieve ziekte op vervolgscans.

Kan immunotherapie stadium 4-kanker genezen?

Stadium 4-kanker wordt over het algemeen behandeld als een beheersbare, langdurige aandoening in plaats van een te genezen ziekte, hoewel immunotherapie bij geschikte patiënten voor langdurige ziektecontrole kan zorgen. Bij tumoren met hoge PD-L1-waarden, een MSI-H-status of een hoge mutatielast kunnen checkpointremmers de ziekteprogressie afremmen, de mediane overleving verlengen en de gezondheid gedurende langere perioden stabiel houden.

Hoe lang krijgt een patiënt immunotherapie?

Standaard oncologische richtlijnen adviseren doorgaans om een behandeling met checkpointremmers maximaal twee jaar voort te zetten, mits de tumor stabiel blijft of blijft krimpen en de patiënt geen ernstige immuungerelateerde bijwerkingen ontwikkelt. Als de ziekte voortschrijdt of als er bijwerkingen van graad 3-4 optreden, passen oncologen de behandeling aan, onderbreken deze of zetten deze stop.

Sluit een negatieve PD-L1-test alle mogelijkheden voor immunotherapie uit?

Een negatieve PD-L1-test sluit niet alle mogelijkheden voor immunotherapie uit. Hoewel checkpointremmers als monotherapie minder activiteit vertonen bij PD-L1-negatieve tumoren, kan een combinatie van immunotherapie met chemotherapie of gerichte angiogeneseremmers zorgen voor een betekenisvolle klinische respons, ongeacht de PD-L1-uitgangswaarden.

U kunt uw volledige medische dossier uploaden op Voumed.com, zodat onze AI uw situatie kan koppelen aan de best passende zorgaanbieders en artsen binnen ons netwerk. Dit helpt u om uw dossier binnen enkele minuten naar de klinieken of artsen van uw voorkeur te sturen doordat al uw documenten naar hun eigen taal worden vertaald, zodat u veel sneller en eenvoudiger een reactie ontvangt.

Twijfelt u welk ziekenhuis passend is voor uw situatie?

Upload uw medische verslagen en onze AI vergelijkt ze met de geverifieerde behandelmogelijkheden van elk ziekenhuis in ons netwerk.

  1. Upload uw verslagen (geen account nodig)
  2. Onze AI koppelt uw situatie aan ziekenhuizen die u daadwerkelijk kunnen behandelen
  3. U kiest wie uw dossier ontvangt. Wij presenteren het in de taal van het ziekenhuis en het ziekenhuis neemt rechtstreeks contact met u op
Upload uw verslagen

Gratis en anoniem. Uw documenten blijven privé totdat u besluit ze te versturen.

Meer uit het blog